Wachttijden: Het roer moet om, ook in de geestelijke gezondheidszorg

31-05-2018

Wachttijden in de GGZ-instellingen, in de vrijgevestigde praktijk en in de somatische werkvelden van de gezondheidszorgpsychologie nemen toe. Het is een complex probleem, een goede analyse ontbreekt, “men” heeft het te lang laten lopen en nu verwacht men quick fixes. Het feit dat staatssecretaris Blokhuis recent dreigt met boetes voor de ziektekostenverzekeraars, is zo’n signaal van machteloosheid. Hiermee los je niets op. En de beroepsverenigingen roeren zich onvoldoende. Alleen een gezamenlijke aanpak in analyse en het streven naar een lange termijn aanpak zullen het probleem wellicht oplossen.

Wat is het probleem

  • Er zijn landelijke normen omtrent de wachttijd tot intake en voor de start van de behandeling. De zogenaamde Treeknormen: 4 weken wachttijd tot intake en 14 weken voor de start van de behandeling.
  • In de zomer 2017 zijn afspraken gemaakt tussen GGZ-partijen. Men achtte het onwenselijk dat mensen te lang moesten wachten op GGZ-zorg. Met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) werden afspraken gemaakt om per 1 juli 2018 de behandelingen in de GGZ weer binnen de Treeknormen te hebben.
  • De NZA heeft in een rapport in december 2017 aangegeven dat deze politieke afspraken waarschijnlijk niet zullen worden gehaald. De vastgestelde deadline van 1 juli 2018 om de wachttijden terug te dringen, wordt inmiddels door alle partijen als onhaalbaar bestempeld.
  • Er zijn verschillende factoren die hieraan bijdragen; regionale verschillen, verschillen tussen instellingen, verschillen per diagnosegroep, die bij elkaar tot complexiteit leiden.

Vanuit het perspectief van onze beroepsvereniging gezien, een cascade van onoplettendheid; ook van onze zijde

  • Er is onvoldoende personele inzet mogelijk en onvoldoende gekwalificeerd personeel.
  • Elke dag staan vele vacatures gezondheidszorgpsychologen, klinisch psychologen en klinisch neuropsychologen in allerlei media. Die zijn slecht vervulbaar. Daarmee is het voor de beroepsgroep een landelijk probleem.
  • Hoe ontstaan deze vacatures? Sommige collega’s haken af door de regelgekte en overmaat aan administratie. Soms kan de thuiszorg hier nog een puntje aan zuigen.
  • Onder andere door de regeldruk gaan professionals op zoek naar een nieuwe baan. Collega’s in de jeugd-GGZ stappen over naar volwassenenzorg om de bureaucratie van de Jeugdzorg te vermijden. Collega’s verdwijnen uit de volwassenenzorg, omdat de regelgekte van het spreadsheetmanagement de eigen regie over het werk minimaliseert.
  • De vacatures voor klinisch psychologen worden ingevuld door gz-psychologen, de vacatures voor gz-psychologen worden ingevuld door basispsychologen zonder BIG-registratie. De vacatures van basispsychologen worden ingevuld door hbo’ers. De universiteit leidt daarnaast onvoldoende op om zomaar goed te kunnen functioneren in de praktijk.
  • Afgestudeerde masterpsychologen (= basispsychologen) willen natuurlijk een baan, maar komen niet in aanmerking voor de GZ-opleiding door een tekort aan opleidingsplaatsen. De enige die er op korte termijn baat bij hebben, zijn de instellingen; een bron van goedkope arbeidskrachten.
  • En zo kachelt de kwaliteit achteruit. Minder gekwalificeerde mensen werken minder efficiënt, kunnen soms diagnostisch verkeerde taxaties doen, zijn onzeker en gaan door terwijl gestopt had kunnen of moeten worden. Begrijpelijk en niet verwijtbaar.
  • Collega’s die overstappen van een GGZ-instelling naar de vrijgevestigde praktijk, worden geconfronteerd met onnavolgbare budgetplafonds, waardoor er niet meer patiënten toegelaten kunnen worden. Gevolg: wachtlijsten.

Het lijkt een veelkoppig monster.

Terug naar de overmaat aan vacatures van psychologen in de GGZ en in de ziekenhuizen/ instellingen en de relatie met opleiding

  • Er wordt te weinig opgeleid. Zichtbaar door het niet invullen van vacatures en door een bovenmatig aantal basispsychologen in de individuele gezondheidszorg, die nog onvoldoende zijn opgeleid. Je wil toch ook geen huisarts zonder papieren?!
  • De aantallen beschikbare opleidingsplaatsen voor de BIG-registreerde psychologisch beroepen zouden sterk moeten stijgen. Deze aantallen worden echter bepaald door het Capaciteitsorgaan.
  • Maar bij de schattingen van de benodigde opleidingsplaatsen wordt door het Capaciteitsorgaan de analyse van vacatures onvoldoende meegenomen.
  • Opleiden kost geld. Gz-psychologen i.o. en K(N)P i.o. zijn vanwege de opleiding niet volledig inzetbaar om productie te draaien. Daarom gaan de opleidingsplaatsen gepaard met een opleidingsbudget; de zogenaamde beschikbaarheidsgelden. Voor arts-assistenten is dat een adequaat bedrag. Voor psychologen in opleiding is dat zeer minimaal. Er moet geld bij vanuit de opleidende instelling. Dat maakt dat sommige opleidingsinstellingen aarzelen om de opleidingsplaatsen voor psychologen in te vullen.
  • Samenvattend: meer opleidingsplaatsen en beschikbaarheidgelden op voldoende niveau.

Dit is slechts één van de mogelijke lange termijn oplossingen voor de wachttijdenproblematiek. Ik heb het nog niet gehad over het regiebehandelaarschap en hoe dit anders ingevuld kan worden. Dat alles vergt betere afstemming en samenwerking met andere stakeholders in het veld.

Ik roep collega’s op met andere invalshoeken te komen voor het terugdringen van wachttijden, waarmee het bestuur aan de slag kan.

Eén ding is duidelijk: Het roer moet om; ook voor de psychologische BIG-beroepen in de individuele gezondheidszorg. Laten wij meer kijken hoe de huisartsen dat doen. Daar is van te leren.

Ondertussen zet de NVGzP zich natuurlijk maximaal in om meer opleidingsplaatsen te realiseren.

 

Huib van Dis,
waarnemend voorzitter