Uitspraak Regionaal Tuchtcollege Amsterdam

14-04-2021

In deze casus verwijt klager verweerster, gz-psychologe, dat zij (als regiebehandelaar) heeft ingegrepen in de gesprekken die klager had met zijn behandelend basis psycholoog, waardoor hij stelt ernstig beschadigd te zijn in zijn vooruitgang.

Klager had gevoelens voor deze psychologe ontwikkeld en heeft hierdoor geen afrondende gesprekken met haar kunnen hebben. De afsluiting en nazorg zijn volgens klager niet goed geweest. Verweerster bestrijdt de klachtonderdelen. Deze klacht wordt ongegrond bevonden door het college.

Vanuit de behandelaar en verweerster wordt achteraf geconstateerd dat met de kennis van nu, een andere keus gemaakt had kunnen worden (eerder stoppen met de behandeling). De wetenschap van achteraf (zo die al terecht is geformuleerd) is in dezen niet relevant. Het biedt in ieder geval geen grondslag voor het maken van een (tuchtrechtelijk) verwijt, zo blijkt uit deze uitspraak.

Het toetsingskader geeft aan dat verweerster tijdens de behandeling van klager gehandeld heeft zoals van haar als gz-psycholoog en regiebehandelaar mocht worden verwacht.

Gelet op dit toetsingskader, stelt het college vast dat deze inschatting achteraf niet relevant is voor de tuchtrechtelijke beoordeling van deze zaak. Er moet, kort gezegd, beoordeeld worden of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Lees hier de volledige uitspraak.