Uitspraak Centraal Tuchtcollege Den Haag

27-10-2020

Uit deze uitspraak van het Centraal Tuchtcollege blijkt ook nu weer dat overleg en informeren (naast het vastleggen daarvan) een van de basisthema’s is van beroepsethisch verantwoord handelen.

In deze casus werd de gz-psycholoog als (zeer) zorgvuldig gezien, maar omdat zij verzuimd heeft om toestemming te vragen, aan klager om aan de moeder en het kind (degene die in behandeling is) een brief voor te leggen (van de hand van klager), en de voorwaarden waaronder, krijgt zij toch een waarschuwing (tuchtrechtelijk gezien) opgelegd.

De basis hiervoor is de NIP  beroepscode uit 2015 waarin staat:

Artikel 71  Geheimhouding
In het directe contact met de betrokkene(n) gaan psychologen een vertrouwensrelatie aan. Daarom zijn psychologen verplicht tot geheimhouding van hetgeen hen uit hoofde van de uitoefening van hun beroep ter kennis komt, voor zover die gegevens van vertrouwelijke aard zijn. Onder deze verplichting valt ook het professionele oordeel van psychologen over de betrokkene. De geheimhoudingsverplichting blijft na beëindiging van de professionele relatie bestaan.”

Uit artikel 71 van de Beroepscode volgt – kort gezegd – dat psychologen verplicht zijn tot geheimhouding van informatie voor zover die informatie van vertrouwelijke aard is. Verder blijkt uit dit artikel dat psychologen niet alleen met hun patiënten een vertrouwensrelatie aangaan, maar ook met (andere) betrokkenen. Als naaste verwant, namelijk vader van de patiënt, is klager op grond van artikel 1.2 van de Beroepscode te beschouwen als zo’n betrokkene.

Lees hier de volledige uitspraak.