Tussenevaluatie ontwikkeling nieuw bekostigingssysteem curatieve GGZ

10-03-2020

De geestelijke gezondheidszorg wordt vanaf 2022 weer betaald op basis van het type zorg, de tijdsduur hiervan en het beroep van de behandelaar. Dat blijkt uit een tussenrapportage van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De NVGzP is nauw betrokken bij de ontwikkeling van dit nieuwe systeem via P3NL en heeft zelf zitting in de werkgroep die een nieuwe veldnorm ontwikkelt voor tijdschrijvende beroepen.

Loslaten db(b)c-structuur
De NZa maakte in 2019 bekend dat er een einde zou komen aan de huidige bekostiging van de GGZ via diagnose-behandelingcombinaties (dbc’s) en de diagnose-behandeling en beveiligingcombinatie (dbbc’s) in de forensische zorg. De dbc’s, die vanaf 2008 in de GGZ zijn geïntroduceerd, kennen veel problemen. Ze sluiten niet aan bij de zorg die is geleverd, houden geen rekening met de setting waarin zorg is geleverd en geven bepaalde ongewenste financiële prikkels. Voor patiënten was een nota bovendien niet te lezen en voor zorgverleners leverde het systeem een enorme administratieve last op. Dit is in de loop der jaren door de sector aangegeven en werd door de NZa erkend.

Zorgprestatiemodel (ZPM)
In het advies uit 2019 zette de Zorgautoriteit de grote lijnen voor een nieuwe bekostiging, het zorgprestatiemodel, al uiteen. Staatssecretaris Blokhuis (VWS) gaf toen ook al aan dat hij het advies wilde overnemen, mits het op een aantal punten verder zou worden uitgewerkt. De NZa heeft sindsdien onderzoek gedaan naar de opbouw van kosten in de GGZ en komt nu met een verdere uitwerking van het nieuwe model.

Bekostiging op basis van consulten en tijdsduur
Het was al duidelijk dat de aandoening (de diagnose, die patiënten krijgen) niet meer leidend zou zijn voor de bekostiging. Op hoofdlijnen gaat het nieuwe zorgprestatiemodel uit van consulten, verblijfsprestaties en een klein aantal overige prestaties. Een consult heeft de NZa gedefinieerd als een ‘direct zorginhoudelijk contact tussen zorgverlener en (forensische) patiënt of het systeem van de patiënt’. Indirecte tijd wordt verdisconteerd in de prestaties. “Zo worden administratieve lasten voorkomen en wordt het patiëntcontact zoveel mogelijk gestimuleerd”, licht de Zorgautoriteit toe.

Consulten worden verder opgesplitst naar het beroep van de behandelaar, of het om diagnostiek of behandeling gaat en de duur hiervan. Deze elementen bepalen voor een groot deel de kosten van een consult. De patiënt kan zo zien bij welke zorgverlener hij is geweest en hoe lang het consult duurde.

Verder wordt in de bekostiging rekening gehouden met de setting waarin de zorg wordt geleverd. Uit het onderzoek van de NZa blijkt namelijk dat de setting een behoorlijke invloed heeft op de kosten van zorg. Op basis van dit onderzoek heeft de Zorgautoriteit een indeling van ambulant, via outreachend en klinisch, tot forensische en hoog-specialistische zorg gemaakt.

Tijdsgrenzen
De tijd die aan een behandeling wordt besteed, wordt straks anders geregistreerd. De tijdsregistratie in de dbc-systematiek maakte gebruik van ‘tot’ grenzen, zoals tot 15 minuten. Dat leidde ertoe dat behandelaren soms net iets meer tijd registreerden, om in een hoger tarief te komen. Daarom heeft de NZa besloten een ‘vanaf’ grens aan te brengen.

“De afbakening van de consulten is gebaseerd op de gemiddelde tijdbesteding in de huidige praktijk. In de nieuwe indeling ligt dat gemiddelde dicht bij de ondergrens van de prestatie. Zo is een ‘consult vanaf 30 minuten’ gebaseerd op een huidig gemiddelde van 31 minuten en een ‘consult vanaf 45 minuten’ op een huidig gemiddelde van 46 minuten. Zo wordt de prikkel om strategisch net over de grens van het hogere consult te gaan beperkt”, aldus de Zorgautoriteit.

Korte, inhoudelijke samenvatting
Op basis van deze tussenevaluatie is de NVGzP bezig een inhoudelijke samenvatting te maken van de tussenresultaten. Deze komt binnenkort beschikbaar en op de website geplaatst.

Meer informatie
De tussenevaluatie van de NZa kun je hier vinden.