Geslaagd symposium Basis GGZ

30-06-2014

Meer dan 170 collega’s verzamelden zich woensdag 25 juni in de Jaarbeurs voor het symposium ‘Hoe overleef ik de Basis GGZ?’, dat de NVGzP samen met Cure and Care Development had georganiseerd. Gemeten aan de reacties was het een geslaagd symposium: “belangrijk actueel onderwerp”, “zeer nuttig”, “goed initiatief over ingewikkelde materie”.

Basis GGZ als probleem of kans? 

De eerste drie sprekers namen de uitgangspunten van de nieuwe Basis GGZ onder de loep.

De eerste presentatie was van Peter Bakker, consultant bij HHM en een van de architecten van de nieuwe productenstructuur in de Basis GGZ. Volgens hem waren de nieuwe producten vooral bedoeld om zorgverleners de ruimte te geven en zo zorginnovatie te stimuleren. De omvang van de producten was vastgesteld op basis van uitvraag van ‘experts uit het veld’, aangedragen door de verenigingen die namens de psychologen hebben meegewerkt aan de invoering van de Basis GGZ, NIP, LVE en NVVP. Bakker liet echter ook doorschemeren dat daarnaast beleidsoverwegingen een belangrijke rol hebben gespeeld bij de bepaling van de producten. Verder bleek uit zijn verhaal duidelijk dat er sprake is geweest van haastwerk, en dat verwijsmodel en productstructuur ook naar de mening van de ontwikkelaars “nog geperfectioneerd moeten worden”.

NVGzP-voorzitter en HSK-directeur Marc Verbraak probeerde in zijn lezing de kansen te belichten die de Basis GGZ biedt voor gz-psychologen. Hij benadrukte dat de Basis GGZ het speelveld voor gz-psychologen en voor psychologische behandelingen heeft vergroot. Immers: ten opzichte van de oude eerstelijnspsychologie is het aantal sessies opgehoogd van maximaal 5 naar gemiddeld twaalf, en bovendien is de eigen bijdrage afgeschaft. Tegelijkertijd zag Verbraak ook wel dat dit te weinig is om de zwaardere problematiek te kunnen behandelen die volgens de nieuwe opzet in de Basis GGZ thuishoort. Dat leidt ertoe dat veel patiënten na afronding van de behandeling alsnog worden doorverwezen naar de specialistische GGZ. Dat is niet alleen slecht voor de cliënten, maar ook voor de verzekeraars.

Jim van Os nam in zijn presentatie de twee belangrijkste uitgangspunten van de herstructurering van de GGZ op de korrel: het idee dat zorgzwaarte te voorspellen is op basis van diagnose en patiëntkenmerken, en de DSM als classificatie-instrument. Daarnaast hekelde hij de gedachte dat je door massale dataverzameling à la DIS en SBG meer zicht zou kunnen krijgen op zorgzwaartevoorspellers. Volgens hem blijkt uit interationaal onderzoek telkens weer dat de relatie tussen diagnose en lijdensdruk, zorgzwaarte en prognose altijd zwak zijn, dus dat het geen zin heeft om je zorgsysteem daarop in te richten.

Praktische uitwerking

Na de pauze was het de beurt aan drie sprekers die de praktische uitwerking van de basis GGZ onder loep namen.

Paul Rijnders brak in zijn lezing een lans voor kortdurende behandelingen. Volgens hem heeft internationaal onderzoek aangetoond dat met 5, 8 of 11 sessies wel degelijk resultaat kan worden bereikt. Hij illustreerde dit aan zijn eigen KOP-model. Naast klachtgerichtheid kenmerkt dit model zich vooral door de zelfwerkzaamheid die van de patiënt gevraagd wordt tussen de sessies. Rijnders schetste een interessante uitkomst van kortdurende behandelingen: volgens de normen is er vaak alleen sprake van verbetering, en niet van herstel. Maar de patiënten vinden het resultaat vaak goed genoeg, en sluiten de behandeling tevreden af.

Eerstelijnspsycholoog Frits Bosch kwam met een verhaal uit de dagelijkse praktijk van de Basis GGZ, ondersteund door gegevens uit een enquête onder collega’s.  Volgens hem komt er van te verwachte uitbreiding van de Basis GGZ weinig terecht: “Wij zien geen patiënten die voorheen in de specialistische GGZ behandeld werden”. Integendeel: er is sprake van inkrimping, doordat lichte problematiek door de POH-GGZ wordt behandeld. Vaak zijn dit medewerkers die vanuit een grote GGZ-instelling zijn gestationeerd bij de huisarts. Als ze er niet uitkomen, verwijzen ze niet naar de vrijgevestigde psycholoog, maar naar de eigen instelling. Dat betekent dat de Basis GGZ niet functioneert zoals bedoeld, een conclusie die door meer dan driekwart van de respondenten van de enquête onderschreven werd.

Zorgmakelaar Sophie van Kan ging in haar presentatie op  de grootste kwelling voor veel collega’s: de onderhandelingen met zorgverzekeraars, of liever gezegd: het gebrek aan onderhandelingsruimte. Van Kans boodschap was helder: als individuele gz-psycholoog begin je niks, alleen door samenwerking verwerf je een onderhandelingspositie. Daarbij is het belangrijk om de grenzen van het mededingsrecht in de gaten houden. Van Kan besprak een aantal vormen die hierbinnen zijn toegestaan, zoals het ‘kralenketting’-model en het inschakelen van een zorgmakelaar.

Slotdebat

Het symposium werd  afgesloten met een slotdebat tussen klinisch psycholoog Joost Walraven en zorgverzekeraar Rob Laane (inkoper en beleidsmedewerker GGZ bij VGZ). Walraven vergeleek de GGZ met de Titanic: als hoofdbehandelaar mocht hij eerder aan het roer  staan, maar nu is hij een groot deel van zijn tijd kwijt met mensen begroeten als ze aan boord komen,  20% van al het overige werk doen en de administratie bijhouden. Aan zijn eigen werk doen (het schip op koers houden en ingewikkelde patiënten behandelen) komt hij ondertussen niet meer toe. Laane herhaalde wat de laatste jaren is uitgegroeid tot de ietwat paradoxale mantra van de zorgverzekeraars: “wij bemoeien ons niet met de behandeling”, maar “zorg moet wel voldoen aan onze kwaliteitseisen”. Zoals NVGzP-bestuurder Els Graafsma opmerkte valt dat niet alleen de zorgverzekeraars aan te rekenen, maar ook de beroepsgroep: zolang wij geen gemeenschappelijke kwaliteitsstandaarden kunnen of durven stellen, zullen zorgverzekeraars die taak op zich nemen.

 

[rev_slider slider4]

foto’s: Lucie Schermers

3 thoughts on “Geslaagd symposium Basis GGZ

  1. Ik heb een vraag voor Els Graafsma: Tellen een beroepsbekwaamheidsregistratie NVO of een GZ-registratie, enz niet meer mee als kwaliteitsstandaard?

    1. Op dit moment kunnen van de psychologische en psychotherapeutische beroepen, volgens de richtlijnen van het ministerie, de klinisch psycholoog, de klinisch neuropsycholoog, de psychotherapeut, de gz-psycholoog, de orthopedagoog generalist en de K&J psycholoog NIP hoofdbehandelaar zijn.
      De registratie GZ-psycholoog en de NVO-registratie tellen dus wel mee.
      De zorgverzekeraars hebben ieder verschillende eisen en standaarden die zij hanteren voor de generalistische basisGGZ en de specialistische GGZ. Bij mijn weten is er geen overzicht van de eisen per zorgverzekeraar. We weten alleen dat ze allemaal van elkaar verschillen.
      Hoe het de komende jaren zal zijn, weten we niet. Wel staat vast dat de huidige stand van zaken niet een definitieve is, en dat er nog wel in geschoven gaat worden.

  2. Ik vond het een interessant congres, met boeiende sprekers en een goede congresvoorzitter. Het congres was goed georganiseerd.

    Wat ik echter jammer vond is dat het sluitstuk ,de discussie tussen Rob Laane en Joost Walraven, niet helemaal uit de verf kwam. Dhr. Laane ( VGZ) schoof de verantwoordelijkheid van zijn zorgverzekering meerdere malen af op het CVZ, waardoor hij zijn eigen visie niet hoefde bloot te geven en de discussie dood bloedde. Terecht was dan ook de opmerking van iemand uit de zaal, dat we misschien beter iemand van het CVZ uit hadden kunnen nodigen.

    Verder vind ik dat het beeld dat Marc Verbraak schetst over de Basis GGZ te rooskleurig ; in de praktijk is het niet zo dat we vergeleken met de eerstelijns vergoedingen van vorige jaar ( met een max. van 5 sessies) er per saldo op vooruit gegaan zijn wat betreft onze behandelmogeljikheden. Ten 1e is door de verschuiving wat betreft indicatie de problematiek in de huidige Basis GGZ zwaarder dan in de eerstelijnspsychologie van voorheen. Ten 2e mag slechts een bepaald precentage van de behandelingen in de intensieve produktgroep behandeld worden ( daar geldt inderdaag een gemiddelde van max 12 sessies ) en in de praktijk zullen dat vaak behandelingen zijn die voorheen in de 2e ijn behandeld werden in DBC’s die de 800 minuten ruimschoots overstegen. Ten 3e wordt van ons gevraagd om na een intake al aan te geven in welke produktgroep de patiënt behandeld moet worden. Een onzinnige eis aan de behandelaar en kan verkeerde verwachtingen scheppen naar onze patiënten. Ik voel mij in mijn kritiek hierop dan ook erg gesteund door het verhaal van JIm van Os waaruit blijkt hoe moeilijk zorgzwaarte te voorspellen is.

Comments zijn gesloten