Stigmatisering van mensen met psychosegevoeligheid nog steeds actueel

03-03-2022

Op 24 februari bepaalde het College voor de Rechten van de Mens: Stichting GGZ Momentum discrimineerde een man met psychosegevoeligheid niet door hem voor behandeling te weigeren voor verslavingszorg.

Tonnie Staring, die de zaak van deze cliënt begeleidde en lang moest wachten op een oordeel, is teleurgesteld: “De uitspraak zegt feitelijk niet zoveel, het oordeel is gebaseerd op het goed doorlopen van de stappen in het proces en gaat niet in op de status van de contra-indicatie*. Mijn cliënt en ik hadden graag gezien dat de inhoud van de contra-indicatie onder de loep was genomen, en dan vooral hoe onterecht en discriminerend deze is. Onterecht omdat in de Zorgstandaard GGZ Psychose in artikel 5.2.1 de behandeltabel aangeeft dat bij verslaving specifieke zorgstandaarden gelden (mensen met psychose gevoeligheid moeten dus regulier voor andere problemen behandeld worden), maar deze zijn vaak niet vastgelegd waardoor instellingen eenvoudig kunnen weigeren. Uit mijn onderzoek blijkt dat maar liefst 10 serieuze GGZ-instellingen expliciet aangeven dat zij mensen met psychosegevoeligheid niet behandelen. Discriminerend omdat mijn cliënt door deze contra-indicatie van psychosegevoeligheid nooit meer kan deelnemen aan groepsgebonden hulpsessies, ook al is hij het merendeel van zijn leven gezond. Heel dubbel, want mijn cliënt heeft verslavingshulp nodig om nog gezonder te worden, maar het stempel van de contra-indicatie weegt zwaarder dan het recht op de best mogelijke zorg.”

Contra-indicatie beoordelen buiten bereik beoordeling
Het College voor de Rechten van de Mens geeft in haar uitspraak aan: ‘Het College kan in het kader van het gelijkebehandelingsrecht in beginsel niet beoordelen of het terecht is dat Momentum de situatie van de man als contra-indicatie heeft aangemerkt. Die beslissing is namelijk zodanig verweven met de expertise en ervaring van de behandelaars dat dit buiten het bereik van het gelijkebehandelingsrecht valt. Uit de WGBH/CZ volgt ook geen verplichting om een bepaalde behandeling aan te bieden of expertise te ontwikkelen.’

Recht op de best mogelijke zorg blijft afhankelijk van één behandelaar
“In ons geval heeft Momentum de contra-indicatie als werkelijkheid voor de gehele groep bedacht en ook voor deze cliënt, omdat in het beoordelingsproces voor toelating geen stap zit voor het ‘onderzoeken’ van de contra-indicatie op moment van aanmelden. De cliënt wordt niet beoordeeld op het risico van het ontstaan van een psychose ten tijde van de behandeling, maar beoordeeld op het hebben van een chronische aandoening die ooit in het verleden door een ‘ervaren behandelaar’ is vastgesteld. Nu is dat nog niet eens zozeer het probleem, maar wel dat Momentum denkt dat het een terechte contra-indicatie voor hun zorg zou zijn. Dat is een uitermate stereotiep en onjuist idee, 180 graden in strijd met de wetenschappelijke kennis en Nederlandse zorgrichtlijnen voor psychose. Al eerder gaf ik aan dat uit onderzoek blijkt dat er geen causaliteit bestaat tussen een behandeling en psychotische ontregeling. Een ontregeling kan gebeuren, maar gebeurt net zo goed als de co-morbiditeit niet behandeld wordt. Helaas wilde het College niet naar de discriminerende inhoud van de contra-indicatie kijken. Erg teleurstellend en stigmatiserend. Dat zouden ze denk ik wel hebben gedaan als geslacht of etnische minderheid de genoemde contra-indicatie was”, aldus Tonnie Staring.

*Contra-indicatie is een tegenaanwijzing waardoor een behandeling niet geschikt zou zijn. Het voordeel van behandelen weegt niet op tegen het daaraan verbonden risico.

Wil je meer weten? Of wil je iets bijdragen aan het verminderen van de stigmatisering van mensen met psychosegevoeligheid? Neem dan contact op met Tonnie Staring; tstaring@gmail.com.

Lees de uitspraak

Lees de blog van Tonnie Staring over het belang van gelijke behandeling

Lees de ggz standaard psychose artikel 5.2.1