NVGzP: zorgen over jeugdzorg en jeugd-GGZ

26-06-2013

De Jeugd GGZ moet onderdeel blijven van de gezondheidszorg. Daarbij moet een heldere positie gecreëerd worden voor gz-psychologen en klinisch psychologen, die op basis van hun opleiding en BIG-kwalificatie hoog opgeleid zijn, zelfstandig kunnen werken en eindverantwoordelijkheid kunnen dragen. Dit stellen Anneloes van Baar, Elske Sigmond en Eddie Speelman namens de Werkgroep Transitie Jeugdzorg van de NVGzP.

Van Baar, Sigmond en Speelman stellen dit in reactie op een artikel van jeugdpsychiatrie Harrie van Leeuwen. Een verkorte versie van hun reactie zal gepubliceerd worden in het septembernummer van Kind en Adolescent Praktijk.

Meer weten? Lees hier onder verder:

 

Prof. dr. Anneloes van Baar, dr. Elske Sigmond, drs. Eddie Speelman

Namens de Werkgroep Transitie Jeugdzorg NVGzP’

Het artikel van kinderpsychiater Harrie van Leeuwen getiteld “Overgang en beroepsidentiteit” in Kind en Adolescent Praktijk jaargang 12, nummer 1 p. 27-29, roept om een reactie van gedragswetenschappers. Zoals hij terecht veronderstelt, bestaat er bij deze disciplines ook veel verwarring en onduidelijkheid over de huidige ontwikkelingen met betrekking tot de transitie van de Jeugdzorg naar de gemeenten. En daarmee gepaard, bestaat ook veel zorg over de kwaliteit van zorg voor de jeugd die de toekomst zal brengen.

Achtergrond

Psychologen en orthopedagogen werken zowel in de jeugdzorg, als in de Jeugd-GGZ. Een standpunt bepaling moet dus een goed gedifferentieerd beeld opleveren met voldoende nuance waar de meesten zich in kunnen vinden. En de beroepsgroep betreft hier niet alleen de specialisten, klinisch psychologen, maar ook de gz-psychologen en de master-psychologen en master-orthopedagogen. De beroepsidentiteit staat momenteel niet alleen onder druk in relatie tot de transitie van de jeugdzorg, maar ook als gevolg van de huidige discussies in het kader van de bezuinigingen in de (GGZ) zorg en de vergoedingen door de verzekeraars, onder meer met betrekking tot de inhoud en mogelijkheden van het ‘’hoofdbehandelaarschap’’. Daarbij komt, dat vergoedingen veelal in DBC constructies geregeld zijn, en binnenkort een nieuwe versie van het gebruikte classificatie systeem verschijnt, DSM 5.0 waar nu al veel commentaar op is. En er was altijd al commentaar op het gebruik van dit classificatiesysteem vanwege het feit dat de ontwikkelingsfases die bij kinderen en jongeren zo prominent zijn binnen dit systeem (te) weinig worden meegewogen, evenals dat er weinig aandacht is voor de invloed van de gezins- of school-context. Verder is voor de beroepsidentiteit van de psychologen en orthopedagogen van belang dat nu een stelsel van eerste en tweede en eigenlijk zelfs derde-lijns zorg bestaat, dat ook vervangen gaat worden. Van de beoogde basis-generalistische GGZ en specialistische GGZ, is momenteel van veel zorg aspecten nog niet duidelijk wat de precieze plaats moet zijn en wat de kwalificaties moeten zijn van de professionals die de verschillende taken zullen uitvoeren: een aspect dat met name voor de gz-psychologen van belang is.

NVGzP

Reacties op de huidige ontwikkelingen rondom de transitie van de Jeugdzorg komen van verschillende kanten zoals het NIP, de NVP en de VKJP, de Werkgroep KP en KNP.  De recent opgerichte Nederlandse Vereniging voor Gz-psychologie en haar specialismen (NVGzP) poogt specifiek de standpunten van de BIG geregistreerde psychologen en orthopedagogen over al deze onderwerpen helder te krijgen en naar voren te brengen.

Transitie jeugdzorg

Met betrekking tot de transitie van de jeugdzorg naar de gemeenten voert op dit moment onduidelijkheid de boventoon. Dat lijkt zich te gaan uitkristalliseren in de nadruk op differentiatie tussen enerzijds de meer op het individu gerichte zorg die de diagnostiek en behandeling van stoornissen betreft en die nu wordt uitgevoerd in de jeugd-GGZ. Anderzijds is er de Jeugdzorg, die preventieve activiteiten uitvoert in aansluiting op de normale voorzieningen voor de Nederlandse jeugd om op te groeien. Voor de kinderen en gezinnen waar de reguliere voorzieningen en preventieve activiteiten niet voldoen, zal meer zorg nodig zijn. Hoe wordt de noodzaak hiertoe gediagnosticeerd? Hoe krijgt de verwijzing hier naar toe en de uitvoering van de begeleiding vorm? Wie doet de eerste screening? Zijn dat professionals die goed genoeg zijn opgeleid om ontwikkelingsproblemen en psychische en psychiatrische problemen goed te onderkennen? De rol van de huisarts, zoals nu als centrale verwijzer, is lastig gezien het feit dat deze hiertoe niet speciaal is opgeleid, dus dat kan beter; en wat wordt de rol van de praktijk ondersteuner en is die dan wel goed genoeg opgeleid om goede verwijzingen te kunnen doen? Een belangrijk streven naar beter afgestemde zorg was ooit het idee ‘een kind, een gezin, een plan’. Te veel verschillende hulpverleners zijn vaak actief geweest in een gezin, zonder dat er goede afstemming was en duidelijke coördinatie en eindverantwoordelijkheid geregeld was. Ook hier liggen kansen voor verbetering.

Standpunten

Wat voor standpunten worden ingenomen? Van Leeuwen (1) formuleert het standpunt van de kinder- en jeugdpsychiaters als volgt:

De kinder- en jeugdpsychiaters profileren zich door te stellen dat de jeugdzorg best over kan naar de gemeente, maar dat de kinder- en jeugdpsychiatrie in de gezondheidszorg moet blijven. We zijn een medisch specialisme. In de behoefte aan domeinafbakening tussen jeugdzorg en jeugd-ggz wordt dus vooral de aard van de professionele kennis en vaardigheden gebruikt als onderscheidend criterium. In die zin draagt deze domeinafbakening ook bij aan de professionele identiteit van de medewerkers.

Aangezien kinder- en jeugdpsychiaters met name in de jeugd-GGZ werken, past een dergelijke stelling name bij hun vigerende beroepspraktijk. Ook anderen geven blijk van deze stellingname (2). De Kinder- en Jeugd klinisch-psychologen, die samen met de kinder- en jeugdpsychiaters en met gz-psychologen en psychotherapeuten de zorgverlening in de jeugd-GGZ zullen zich eveneens in deze positie kunnen vinden.

De NVGzP is met name bezorgd, gezien de hoge mate van onduidelijkheid op meerdere fronten, over de samenwerkingsrelatie tussen de jeugd-GGZ, die naar ons idee onvermijdelijk voor een deel onderdeel blijft van de specialistische gezondheidszorg, en alle jeugdzorg activiteiten, die mogelijk ook plaats zullen vinden in de basis-generalistische GGZ. Van welke professionals gaan wij verwachten dat zij op tijd problemen signaleren, diagnostiek uitvoeren, indicaties stellen, doorverwijzen en behandelingen uitvoeren? Waar en wanneer moet dit plaats vinden en hoe wordt dit gefinancierd? Wie draagt zorg voor coördinatie en afstemming? Moeten de gemeenten dit organiseren? Van hen kan op voorhand eigenlijk niet voldoende kennis van ontwikkelingsproblemen verwacht worden, maar wie doen het dan?

Een ander punt van zorg betreft de diverse opleidingen die nu in samenwerking met de praktijkinstellingen worden georganiseerd. Opleiding in een instelling draagt bij aan de kwaliteit van zorg, maar lukt uiteraard niet voor niets. Zullen de gemeenten dat ook voldoende inzien?

En het belangrijkste punt is natuurlijk de vraag wat nu eigenlijk echt de behoefte is van de kinderen, jongeren en hun opvoeders zelf in deze re-organisatieplannen? Komen hun belangen voldoende tot hun recht? Uit een recent onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau onder 25000 ouders, blijkt dat maar liefst 57% van de kinderen waarvoor ernstige problemen worden aangegeven, geen gebruik maakt van de huidige tweedelijnszorg (3). Bij 25% van deze kinderen was wel geprobeerd toegang te krijgen tot die zorg. Er lijkt dus wel een verschil van inzicht te bestaan in de mate van problemen zoals deze door ouders wordt ervaren en zoals deze door de eerste lijn en indicatiestellers wordt beoordeeld.

Van Leeuwen heeft gelijk met betrekking tot het feit dat domeinafbakening mede gebaseerd moet zijn op professionele kennis en vaardigheden. Voor beroepen die meer differentiatie kennen dan enkel een specialisme, ligt profilering echter ingewikkelder dan voor de kinder- en jeugdpsychiaters. De NVGzP is van mening dat specialistische zorg inderdaad binnen de gezondheidszorg moet blijven. Daarbij moet een heldere positie gecreëerd worden voor gz-psychologen en klinisch psychologen, die op basis van hun opleiding en BIG-kwalificatie hoog opgeleid zijn, zelfstandig kunnen werken en eindverantwoordelijkheid kunnen dragen. Zij kunnen met hun vrijgevestigde praktijken of werkzaam binnen de Jeugd-GGZ, en straks binnen de generalistische of specialistische GGZ, een belangrijke rol spelen in de samenwerkingsrelatie en daarmee de brug vormen tussen Jeugdzorg en Jeugd-GGZ.

 

  1. Van Leeuwen, H. (2013). Overgang en beroepsidentiteit. Kind en Adolescent Praktijk, 12, 27-29.
  2. Piening, S., Paternotte, A., Vermeiren, R. & Oosterhoff (2013). Jeugd-ggz bij gemeente in verkeerde handen. Medisch Contact, 18, 962-963.
  3. Bot, S. (red.), de Roos, S., Sadiraj, K., Keuzenkamp, S., van den Broek, A., & Kleijnen, E. (2013) Terecht in de jeugdzorg; Voorspellers van kind- en opvoedproblematiek en jeugdzorggebruik. SCP, www.scp.nl.

One thought on “NVGzP: zorgen over jeugdzorg en jeugd-GGZ

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *