Model Kwaliteitsstatuut GGZ: ruimere regeling regiebehandelaarschap

16-02-2016

Peter van Drunen

Op dinsdag 16 februari is het Model kwaliteitsstatuut GGZ aangeboden aan Zorginstituut Nederland. Het kwaliteitsstatuut beschrijft wat zorgaanbieders in de GGZ geregeld moeten hebben op het gebied van kwaliteit en verantwoording om curatieve GGZ te mogen verlenen. In het statuut wordt onder andere bepaald wie in verschillende onderdelen van de GGZ als regiebehandelaar op mogen treden.

Zie ook:

Vanaf 1 januari 2017 zijn alle aanbieders van GGZ verplicht om een kwaliteitsstatuut te hebben. Het Model kwaliteitsstatuut geeft aan wat er in deze kwaliteitsstatuten geregeld moet zijn. Het Model moet nog wel worden goedgekeurd door het Zorginstituut. Het is dan ook mogelijk dat het op onderdelen nog gewijzigd wordt.

Het Model kwaliteitsstatuut is opgesteld door de gezamenlijke ‘veldpartijen’ in de GGZ, waaronder de zorgverzekeraars, GGZ Nederland en de beroepsorganisaties. De NVGzP was hier via haar deelname aan P3NL  actief bij betrokken, naast onder andere de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, de LVVP en het NIP.

Het kwaliteitsstatuut komt in de plaats van de regeling van het hoofdbehandelaarschap, die nu door zorgverzekeraars en toezichthoudende instanties gebruikt wordt als toetssteen voor kwaliteit. Het is een uitwerking van een idee dat vorig jaar door de Commissie Meurs werd gepresenteerd als alternatief  voor de regeling van het hoofdbehandelaarschap. (zie ook het dossier hoofdbehandelaarschap op deze site)

Transparantie voor patiënt, financiers en toezichthouders

Doel van het kwaliteitsstatuut is voor de patiënt, de zorgverzekeraar toezichthoudende instanties als de Inspectie en de NZa duidelijk te maken hoe de zorg is georganiseerd en hoe de kwaliteit en doelmatigheid van de zorg zijn gewaarborgd. Daarnaast dien het statuut als kader voor werkafspraken binnen de instelling en/of het professioneel netwerk. Een belangrijk uitgangspunt is daarbij het stimuleren van de autonomie en de regie van de patiënt.

Het Model kwaliteitsstatuut kent een algemeen deel, gevolgd door aparte secties voor vrijgevestigden en voor instellingen. Leidend is de zogenaamde ‘patients journey’: de verschillende fasen van het zorgproces die de patiënt doorloopt, van het voortraject bij de verwijzer, via aanmelding/intake, diagnostiek en behandeling naar afsluiting en nazorg. Voor elk van deze fasen moet de aanbieder beschrijven hoe de zorg is georganiseerd. Telkens terugkerende vragen daarbij zijn:

  • Wie is verantwoordelijk voor de patiënt, en wie is zijn aanspreekpunt?
  • Hoe wordt de kwaliteit van de zorg gewaarborgd?
  • Hoe is de inbreng van de patiënt geregeld? Hoe wordt de patiënt betrokken bij inhoudelijke keuzes in het zorgproces, wat is zijn inbreng bij de keuze van de regiebehandelaar en andere behandelaren, en hoe kan hij zich overtuigen van de kwaliteit en de doelmatigheid van de behandeling?

Verder moet de zorgaanbieder in zijn kwaliteitsstatuut aangeven hoe hij gepast gebruik bevordert. In dat kader moet onder andere zijn vastgelegd dat de effectiviteit van de behandeling regelmatig gemeten wordt en dat de zorgaanbieder ROM-gegevens verzameld en aanlevert ten behoeve van benchmarking. Deze verplichting om te Rommen gaat dus ook gelden voor vrijgevestigden.

Vrijgevestigden en instellingen

Naast het algemeen deel kent het Model kwaliteitsstatuut aparte secties voor vrijgevestigden en instellingen. Deze zijn uitwerkingen van het algemeen deel, toegespitst op de verschillende werksituatie binnen beide settingen. Zo ligt bij het deel voor vrijgevestigden een relatief grote nadruk op relatie met andere zorgverleners (doorverwijzing, consultatie, waarneming, etc.), terwijl in het deel voor instellingen de nadruk ligt op de interne organisatie van de zorg (onderlinge communicatie, verantwoordelijkheidsverdeling etc.).

In het Model kwaliteitsstatuut worden wel strikte eisen gesteld aan zorgaanbieders die willen kiezen voor het statuut voor vrijgevestigden. Zo mag er geen sprake zijn van een dienstverband met regiebehandelaren, behalve in opleidingssituaties: de vrijgevestigde praktijk bestaat uit eigenaar-praktijkhouders, die allen voor eigen rekening en risico werken.

Klik hier voor reactie voorzitter LVVP op gevolgen kwaliteitsstatuut voor vrijgevestigden.

Regiebehandelaarschap

Een belangrijk onderdeel van het model Kwaliteitsstatuut vormt een regeling voor het regiebehandelaarschap. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen vrijgevestigden en instellingen en tussen basis GGZ en gespecialiseerde GGZ.

Vrijgevestigden

In de vrijgevestigde Basis GGZ kunnen als regiebehandelaar optreden: de gz-psycholoog, de psychotherapeut, de klinisch psycholoog, de klinisch neuropsycholoog en de psychiater. Gespecialiseerde GGZ mag door vrijgevestigden alleen aangeboden worden als de regiebehandelaar een psychotherapeut, een klinisch psycholoog, een klinisch neuropsycholoog of een psychiater is. De vrijgevestigde gz-psycholoog kan dus geen gespecialiseerde GGZ aanbieden.

Instellingen

Voor zorginstellingen geldt een ruimere regeling van het regiebehandelaarschap. Bij Basis GGZ kunnen naast  de gz-psycholoog, de psychotherapeut, de klinisch psycholoog, de klinisch neuropsycholoog en de psychiater ook als regiebehandelaar optreden: de verpleegkundig specialist ggz, de specialist ouderengeneeskunde of klinisch geriater (bij hoofddiagnose dementie) en de verslavingsarts (bij hoofddiagnose verslaving en/of gokproblematiek).

Voor instellingen die gespecialiseerde GGZ aanbieden geldt dat de behandeling moet worden aangeboden vanuit een multidisciplinair team. Er moet altijd een psychiater of een klinisch psycholoog lid zijn van dit team. De psychiater en de klinisch psycholoog kunnen altijd als regiebehandelaar optreden. Bij een klinische opname moet de regiebehandelaar in beginsel altijd een psychiater of klinisch psycholoog zijn. In andere situaties kunnen ook andere disciplines het regiebehandelaarschap vervullen:

  • de psychotherapeut of gz-psycholoog, als er sprake is van psychotherapie of een behandeling waarbij de focus ligt  de psychologische factoren;
  • de klinisch neuropsycholoog, bij zorgvragen met een specifieke neuropsychologische component;
  • de verpleegkundig specialist bij patiënten met een langer bestaande stoornis, waar de nadruk ligt op de gevolgen van de stoornis en de beperkingen die dit met zich meebrengt;
  • de verslavingsarts, bij ambulante behandeling van verslavingsziekten en klinische behandeling waarbij alleen sprake is van detox.
  • de specialist ouderengeneeskunde of klinisch geriater, bij behandeling in de diagnosegroep delirium dementie, amnestische en overige cognitieve stoornissen.

Belangrijk is dat verzekeraars zich hebben gecommitteerd aan deze regeling voor het regiebehandelaarschap: afgesproken is dat individuele verzekeraars geen nadere eisen zullen stellen aan regiebehandelaren.

Hoe verder?

Vanaf 1 januari 2017 moet elke aanbieder van GGZ een eigen kwaliteitsstatuut hebben, dat voldoet aan de eisen van het Model kwaliteitsstatuut en moet zijn geregistreerd bij het Zorginstituut.

Eerste stap is nu de goedkeuring van het Model kwaliteitsstatuut door Zorginstituut Nederland. Nadat dit is gebeurd (volgens planning in maart), moeten individuele aanbieders (vrijgevestigden en zorginstellingen) aan de slag met het opstellen van een eigen kwaliteitsstatuut. Vanuit de opstellers van het Model kwaliteitsstatuut en de beroepsverenigingen zal hierbij ondersteuning worden geboden. Nadere informatie hierover volgt. Houd onze site en onze Nieuwsbrieven in de gaten!

Klik hier voor het Model Kwaliteitsstatuut

Klik hier  voor de aanbiedingsbrief aan Zorginstituut Nederland

[cd_text]

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *