Inzet medebehandelaar in setting II (vrijgevestigde) van het ZPM

12-01-2022


Net voor de kerstdagen publiceerde het programma Zorgprestatiemodel (ZPM) een veldafspraak met een ‘aangepaste’ invulling van het regiebehandelaarschap voor 2022. De veldafspraak wijkt af van het nieuwe Landelijke Kwaliteitsstatuut (LKS 3.0) en behoudt de positionering van gz-psychologen. De regelgeving rondom
het regiebehandelaarschap zal in 2022 in de praktijk zodoende niet veel verschillen van die uit 2021.

Zo mogen, volgens de veldafspraak, in kwaliteitsstatuut sectie II (de setting waar de vrijgevestigden onder vallen), gz-psychologen de rol van regiebehandelaar blijven vervullen voor de GB-GGZ (deze indicatie wordt voor een overgangsperiode van nog 2 jaar geregistreerd) en klinisch psychologen en klinisch neuropsychologen voor de S-GGZ.

Inzet medebehandelaar
Over de inzet van medebehandelaren in sectie II zegt het nieuwe Kwaliteitsstatuut het volgende:

Het uitgangspunt is dat de patiënt/cliënt de zorgverlener en de behandeling en begeleiding krijgt die past bij zijn zorgvraag. De indicerend of coördinerend regiebehandelaar zal in alle fases van het zorgproces de behandeling en begeleiding grotendeels zelf uitvoeren. Inzet van een medebehandelaar is gedurende al deze fases mogelijk op voorwaarde dat de medebehandelaar bevoegd en bekwaam is en over specifieke deskundigheid beschikt, en deze mogelijkheid wordt benoemd in het eigen kwaliteitsstatuut van de indicerend of coördinerend regiebehandelaar.

Het nieuwe LKS gaat er dus vanuit dat in een vrijgevestigde praktijk de meeste zorg wordt uitgevoerd door de regiebehandelaar zelf, maar laat wel ruimte voor de inzet van gekwalificeerde medebehandelaren. De inzet van medebehandelaren moet ook benoemd worden in het persoonlijk kwaliteitsstatuut en in elk behandelplan waar dit aan de orde is.

Een snelle verkenning laat zien dat vrijwel elke zorgverzekeraar in haar aankoopvoorwaarden verwijst naar de richtlijnen van het LKS over de inzet van medebehandelaren in vrije vestiging, en een enkeling een duidelijke verdeling hanteert (60/40 of 80/20). Ook hier verandert er dus niet zo veel ten opzichte van 2021.

Declaratiebepalingen
Wat wel is veranderd is de manier waarop zorg, gegeven door de medebehandelaar, kan worden gedeclareerd. In 2021 was de zorg, gegeven door een medebehandelaar, vrij makkelijk weg te schrijven onder de DBC van een cliënt, maar per 1 januari 2022 moet elk consult, ook de consulten van een eventuele medebehandelaar, apart gedeclareerd worden.

Een belangrijk aandachtspunt hierbij voor vrijgevestigden, is de check of een medebehandelaar mag declareren. Op de website van het zorgprestatiemodel is te vinden welke professionals, naast degene met een relevante BIG-registratie, zelfstandig kunnen declareren: de zogenaamde overige beroepen. Aan een aantal van deze beroepen worden eisen gesteld, bijv. wat betreft de (voor)opleiding. Wanneer een medebehandelaar niet voldoet aan deze eisen of niet is opgenomen in de lijst met beroepen die mogen declareren, moet de zorg die deze medebehandelaar uitvoert, betaald worden uit de opslag van de tarieven van wel declareerbare beroepen. In het ledenportaal van de NVGzP vind je de veelgestelde vragen ‘Gevolgen ZPM en ZVT’.

Verder stelt de NZa eisen aan de minimale inzet van de regiebehandelaar bij de behandeling (in de spelregel correct registreren en declareren van het ZPM). De spelregel luidt:

Bij een nieuw zorgtrajectnummer wordt binnen 42 dagen na het uitvoeren van het eerste consult (doorgaans de intake) minimaal 1 consult uitgevoerd door de regiebehandelaar. Deze termijn mag overschreden worden zolang er maximaal 4 consulten voorafgaan aan het consult met de regiebehandelaar. Na deze termijn zijn de declaraties van consulten onrechtmatig tot het consult met de regiebehandelaar heeft plaatsgevonden. Onder ‘consult’ bedoelen we in deze spelregel ook een groepsconsult (ongeacht duur) en de overige prestatie ‘consult acute ggz binnen budget’.

Onderlinge dienstverlening
Wanneer een zorgaanbieder een andere zorgaanbieder vraagt om een deel van de zorg van een cliënt uit te voeren (sprake van een opdrachtrelatie), spreken we van ‘onderlinge dienstverlening’. In het ZPM kun je, volgens de NZa, zorg die valt onderlinge dienstverlening via twee routes declareren:

  1. Via de aanvrager: De uitvoerder factureert de zorg bij de opdrachtgever, en de opdrachtgever declareert deze uren bij de zorgverzekeraar. Hierbij wordt de reguliere zorgprestatie gebruikt of, als die er niet is, de prestatie ‘onderlinge dienstverlening’.
  2. Bij de zorgverzekeraar van de patiënt: via deze route declareert de uitvoerder zijn/haar prestaties direct bij de zorgverzekeraar van de cliënt en benoemt hierbij het zorgtrajectnummer van de cliënt bij de opdrachtgever. Bij de declaratie vermeldt de medebehandelaar dan, naast het zorgtrajectnummer, alle patiëntgegevens die de aanvrager zou vermelden als hij de zorgprestatie bij de zorgverzekeraar zou declareren.

Deze tweede methode is administratief minder belastend voor de regiebehandelaar maar wordt op het moment door de meeste ICT-aanbieders nog niet gefaciliteerd.