De praktijk van psychodiagnostiek in Nederland

29-12-2020

Keer op keer komen we er in de praktijk achter hoe belangrijk het is dat er goede diagnostiek wordt gedaan bij de cliënten die we in de GGZ en daarbuiten zien. Elke behandelaar heeft het wel eens meegemaakt. Dat je je blijft afvragen waarom die ene cliënt, die je al een jaar ziet in een Affect Fobie Therapie, toch nauwelijks opknapt. Of dat je een intake krijgt en je ziet dat de behandelvoorgeschiedenis niet op één pagina past. Wat betekenen al die eerder gestelde classificaties? Wat is er nou echt met iemand aan de hand?

Als we op tijd weten wat er diagnostisch gezien met iemand aan de hand is, kan dat in veel gevallen een hoop frustratie, teleurstelling en geld schelen. De commissie Kwaliteit van de NVGzP richt zich onder andere op het bevorderen van goede (psycho)diagnostiek binnen de geestelijke gezondheidszorg.

Vragenlijst
Als eerste is er met behulp van een uitgebreide vragenlijst  gekeken naar hoe het momenteel met psychodiagnostiek is gesteld binnen instellingen waar basis en/of specialistische GGZ wordt geleverd. Wat is allemaal psychodiagnostiek? Hoe doen we dat in Nederland in de verschillende instellingen? Zijn daarbinnen veel verschillen? Hoe wordt het ervaren? Door wie wordt het uitgevoerd? En hoe is het gesteld met de mogelijkheden voor onderwijs en supervisie voor psychologen die een postmaster beroepsopleiding tot gz-psycholoog of psychologisch specialist volgen?

Deze vragen hebben leden van de commissie Kwaliteit (Els Graafsma, Huib van Dis) onderzocht in een kwalitatief onderzoek onder 60 P-opleiders binnen Nederland. Een paar punten uit de resultaten van dat onderzoek zullen we hier noemen. Onderaan staat een link naar de uitkomsten van het gehele onderzoek.

Uitkomsten onderzoek
Zo kwam ten eerste naar voren dat er een grote variatie is in het personeelsbestand: zo werkt 20% van de instellingen zonder masterpsychologen die diagnostiek doen en bestaat bij 20% van de instellingen meer dan 30% van het personeel uit masterpsychologen die zich bezighouden met diagnostiek. Verder bleek 33% van de instellingen een beleidsnotitie voor psychodiagnostiek te hebben en had 33% een aparte afdeling voor testdiagnostiek. Als er beleid is, is er meestal geen toezicht op hoe dit wordt opgevolgd. Verder is er vaak geen structurele, intercollegiale toetsing, of intervisie over diagnostiek.

Problemen die genoemd werden door P-opleiders zijn dat veel gezondheidszorg- en klinisch psychologen geen testdiagnostiek meer doen na hun afstuderen, waardoor hun expertise afneemt en kennis en vaardigheid die tijdens de opleiding zijn opgedaan, verdampen. Zij houden hun kennis niet of nauwelijks op peil met nascholing en willen na verloop van tijd geen psychodiagnostisch onderzoek meer uitvoeren en opleidelingen superviseren.

Verder zijn er bij grote instellingen vaak verschillen in hoe psychodiagnostiek wordt ingezet. Het kan verschillen per organisatieonderdeel en zelfs per team in hetzelfde organisatieonderdeel.

Ook wordt genoemd dat verantwoordelijkheid over kwaliteit van (psycho)diagnostiek niet bij alle instellingen is belegd en dat bij het management meestal weinig aandacht is voor (test)diagnostiek. Diagnostiek wordt beschouwd als tijdsintensief en duur. De financiering is onvoldoende. Bij diagnostiek is meer indirecte tijd nodig dan bij behandeling, wat vaak onvoldoende verdisconteerd is in productieafspraken bij individuele psychologen. Hierdoor wordt het onaantrekkelijk om testdiagnostiek uit te voeren omdat dat leidt tot individuele onderproductie.

Tenslotte worden grote verschillen waargenomen tussen opleidingsinstellingen in visie en de noodzaak tot onderwijs ten aanzien van (test)diagnostiek, waarbij de aansluiting op de behoefte van de praktijkinstellingen extra wordt bemoeilijkt.

Aanbevelingen vanuit dit onderzoek en onze commissie  

  1. Een landelijke richtlijn Psychodiagnostiek waarin wordt opgenomen welke vormen van diagnostiek er zijn en wat de minimale kwaliteitseisen zijn.
  2. Optimaliseren van diagnostiek bij start behandeling. Vooral bij langer durende behandelingen en bij niet-effectieve behandelingen zou effectiviteit en efficiëntie van zorg kunnen verbeteren. Dit betekent ook een betere facilitering van diagnostiek in de Basis-GGZ om te voorkomen dat er te snel hiervoor naar de S-GGZ wordt verwezen.
  3. Beter implementeren van psychodiagnostische screeners binnen de huisartsenzorg en de Basis- GGZ.
  4. Stimuleren van nascholing diagnostiek door dit op te nemen in de herregistratie-eisen, zodat je gz-psychologen en klinisch (neuro)psychologen stimuleert en faciliteert om na te scholen en kennis op pijl te houden.
  5. Opzetten van een landelijk supervisorenregister zodat de kwaliteit van supervisie diagnostiek gewaarborgd kan worden.
  6. Betere samenwerking tussen praktijkinstellingen en opleidingsinstellingen over het curriculum met betrekking tot diagnostiek, zodat er minder verschillen zijn binnen de opleidingsinstellingen.
  7. Betere samenwerking in de hele breedte van het veld rondom psychodiagnostiek. Samenwerking met psychiaters, met huisartsenzorg, ziekenhuiszorg, gehandicaptenzorg, het forensische veld en jeugdzorg. Hoe wordt er op de verschillende plekken gedacht over psychodiagnostiek en welke kennis kunnen we met elkaar delen?

Herken jij deze problemen? Hoe vind jij de oplossingen wat betreft het bevorderen van de kwaliteit van psychodiagnostiek in Nederland?

We zijn erg benieuwd, reageer via bureau@nvgzp.nl en denk met ons mee!

Lijkt het jou leuk om lid te worden van deze commissie of wil je (ter oriëntatie) een keer een vergadering bijwonen? Stuur dan een mailtje aan Joost Kamoschinski, secretaris van de commissie Kwaliteit via jkamoschinski@nvgzp.nl. Hij zal dan z.s.m. contact met jou opnemen.

Hier vind je de volledige onderzoeksresultaten.

Ellen van den Eijnden (klinisch psycholoog, NPI Amsterdam)
Madelein van Woerkom (gz-psycholoog, NPI Amsterdam)
Beiden lid van de commissie Kwaliteit