Commissie Meurs: hoofdbehandelaarschap GGZ "noodgreep"

meurs

Peter van Drunen

Eisen aan hoofdbehandelaarschap  zijn niet de manier om grip te krijgen op kwaliteit en kostenontwikkeling in de GGZ. Dat stelt de commissie Meurs in haar advies over het hoofdbehandelaarschap, dat vandaag verscheen. In plaats van beperking van het hoofdbehandelaarschap stelt de commissie een verplicht “Kwaliteitsstatuut” voor als instrument  om de kwaliteit in de GGZ te borgen. 

Zie ook:

Onder de veelzeggende titel “Hoofdbehandelaarschap GGZ als Noodgreep” kraakt de commissie  in haar rapport harde noten over de huidige regelingen rond het hoofdbehandelaarschap. De beperking van het hoofdbehandelaarschap in de gespecialiseerde GGZ tot psychiaters en klinisch psychologen is gebaseerd op de verkeerde veronderstelling dat er zoiets bestaat als inhoudelijke eindverantwoordelijkheid over de gehele behandeling. Dit staat haaks op de ontwikkeling in de praktijk, de verwachtingen van cliënten en de jurisprudentie in het tuchtrecht over de verantwoordelijkheid van  hoofd- en medebehandelaren.

Deze invulling van het hoofdbehandelaarschap heeft volgens de commissie in de afgelopen jaren ernstig afbreuk gedaan aan de kwaliteit van zorg. Instellingen worden gedwongen “oneigenlijke contactmomenten” in te bouwen van patiënten met de psychiater of de klinisch psycholoog. Dit heeft geleid tot een inefficiënte inzet van personeel en tot ondermijning van de vertrouwensband met patiënten.

Regiebehandelaarschap in plaats van hoofdbehandelaarschap

De belangrijkste taak van de hoofdbehandelaar is niet de inhoudelijke eindverantwoordelijkheid over de behandeling, maar de regie over het behandelproces en de communicatie met de cliënten. Om deze reden stelt de commissie voor het begrip ‘hoofdbehandelaar’ te vervangen door ‘regiebehandelaar’. Deze regiebehandelaar hoeft bovendien niet gedurende het hele behandelproces dezelfde te zijn.

Ook aan de regiebehandelaar moeten volgens de commissie eisen worden gesteld. De regiebehandelaar behoeft echter niet de inhoudelijk hoogst gekwalificeerde behandelaar te zijn in een team. Volgens de commissie komt elke professionele discipline in aanmerking om de functie van regiebehandelaar te vervullen, mits er sprake is van een academische opleiding of daarmee vergelijkbaar niveau, BIG-registratie, relevante werkervaring en deelname aan een vorm van intervisie of intercollegiale toetsing.

Kwaliteitsstatuut

Belangrijk is dat de regiefunctie is ingebed in een goede multidisciplinaire samenwerking. Het instrument om dit te borgen is volgens de commissie een kwaliteitsstatuut. Zaken die hierin geregeld moeten worden zijn:

  • de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de regiebehandelaar en de andere teamleden;
  • het mandaat van de regiebehandelaar om andere betrokken zorgverleners aan te sturen;
  • de criteria voor het op- en afschalen van een behandeling en het inroepen voor specifieke inhoudelijke deskundigheid;
  • de manier waarop de overdracht van het regiebehandelaarschap plaatsvindt;
  • de manier waarop het zorgproces geëvalueerd wordt.

Het kwaliteitsstatuut zou als voorwaarde moeten fungeren voor de toelating van zorgaanbieders en voor de vergoeding van zorg.

Vrijgevestigden: samenwerking met andere zorgverleners verplicht

De eis van multidisciplinaire samenwerking geldt volgens de commissie niet alleen binnen instellingen, maar ook voor vrijgevestigde zorgverleners. Solitair werkende zorgaanbieders in de GGZ zouden daarom volgens de commissie verplicht moeten worden om een samenwerkingsovereenkomst te sluiten met één of meer andere GGZ-aanbieders. Om te voorkomen dat GGZ-instellingen hierdoor een te grote machtspositie krijgen moeten zij in principe verplicht worden om deel te nemen aan zo’n samenwerkingsovereenkomst, tenzij zij goede gronden hebben  om dit te weigeren.

Actieplan

In haar advies schetst de commissie een uitgebreid actieplan. Enkele belangrijke punten:

  • alle partijen moeten zich committeren aan het kwaliteitsstatuut en de definitie van regiebehandelaar als nieuwe norm voor borging van de kwaliteit van de GGZ;
  • branche-, bgroepr-#en patiëntenorganisaties dienen samen een model kwaliteitsstatuut op te stellen, dat instellingen en vrijgevestigden als basis kunnen hanteren voor hun eigen statuut;
  • het kwaliteitsstatuut wordt voorwaarde voor toelating van zorgaanbieders tot de GGZ; de Inspectie gaat toezicht houden op de aanwezigheid en de naleving van het statuut door zorgaanbierders;
  • voor zorgverzekeraars wordt het kwaliteitsstatuut en de plaats van de regiebehandelaar daarbinnen het uitgangspunt voor hun inkoopbeleid.

Hoe verder?

Eerder had de Minister aangegeven het rapport van de commissie als uitgangspunt te willen nemen voor een formulering van een definitieve regeling van het hoofdbehandelaarschap vanaf 2016. Omdat het rapport van de commissie later klaar is dan verwacht, is dit niet meer mogelijk. Volgens de commissie zou de invoering van het kwaliteitsstatuut en de rol van de regiebehandelaar daarbinnen echter vanaf 2017 plaats kunnen vinden.

Klik hier voor de integrale tekst van het rapport van de commissie.

Zie het dossier hoofdbehandelaarschap voor alle achtergrondinformatie over de commissie Meurs en eerdere discussies over het hoofdbehandelaarschap.

One thought on “Commissie Meurs: hoofdbehandelaarschap GGZ "noodgreep"

Comments zijn gesloten