Het regiehandelaarschap in de GGZ is voor de gz-psychologen en specialisten één van de belangrijkste thema’s van dit moment. Door het advies van de commissie Meurs zijn met ingang van 1 januari 2017 het kwaliteitsstatuut en regiebehandelaarschap in de plaats gekomen van het hoofdbehandelaarschap als wettelijke leidraad.

Vanaf 1 januari 2017 zijn alle zorgaanbieders in de curatieve ggz, die onder de zorgverzekeringswet vallen, verplicht hun kwaliteitsstatuut openbaar te maken. U heeft zich hiervoor vanaf juli 2016 kunnen aanmelden via www.GGZKwaliteitsstatuut.nl.

Het model kwaliteitsstatuut vindt u hier.

Klik hier voor de invulinstructie die de NVGzP voor u heeft opgesteld. Dit betreft een invulhulp; voor het invullen van het kwaliteitsstatuut, dient u het format op de site van www.ggzkwaliteitsstatuut.nl te downloaden.

Hieronder treft u uitgebreide informatie over regiebehandelaarschap en kwaliteitsstatuut aan. Klik op hoofdstuktitel om direct naar de betreffende informatie te gaan:

I.   Achtergrond en geschiedenis

II.  Nieuwe regeling regiebehandelaarschap; onder constructie

III. Geschiedenis: van hoofdbehandelaarschap naar kwaliteitsstatuut en regiebehandelaarschap (commissie Meurs)

IV. Documentatie advies commissie Meurs en reacties

 

 I. Achtergrond en geschiedenis

Europsyche (2012)

Het begrip ‘hoofdbehandelaar’ kwam in 2012 in het brandpunt van de belangstelling te staan door de zogenoemde EuroPsyche-affaire. Europsyche was een netwerkorganisatie binnen de GGZ, waarbij meer dan duizend zorgverleners waren aangesloten. Binnen deze organisatie kwam het voor dat een psychiater in naam verantwoordelijk voor de behandeling, terwijl de zorg in werkelijkheid werd verleend door behandelaars van zeer verschillende pluimage, vaak zonder BIG-registratie. Toen dit aan het licht kwam, was dit voor de minister aanleiding om strengere eisen te stellen aan het hoofdbehandelaarschap. Daarbij ging het zowel om de vraag wie hoofdbehandelaar mag zijn, als wat de rol is van de hoofdbehandelaar in het behandelproces.

Advies Inspectie 2013

Op verzoek van de minister deed de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) in 2013 een eerste poging door een ‘veldnorm’ te formuleren. Die bestond uit twee onderdelen: een omschrijving van de inhoud van het hoofdbehandelaarschap en een standpunt over wie de hoofdbehandelaar mocht zijn binnen de gespecialiseerde GGZ. Over de omschrijving was relatief weinig discussie. Des te meer commotie ontstond er echter over het hoofdbehandelaarsstandpunt van de IGZ. Volgens de Inspectie kon dit alleen een psychiater of klinisch psycholoog zijn, een opvatting die in het veld op breed verzet stuitte.

Klik hier voor het rapport van de Inspectie. Klik hier voor de reactie van de NVGzP op dit rapport.

Voorlopige regeling 2014-2016

In reactie op het concept-advies van de Inspectie kwamen de partijen uit het Bestuurlijk Akkoord GGZ in juni 2013 met een gezamenlijk advies aan de Minister.  Hierin werd een voorlopige regeling voorgesteld voor het hoofdbehandelaarschap.

Voor de Basis GGZ  werden dertien disciplines voorgesteld die het hoofdbehandelaarschap zouden kunnen vervullen, waaronder de gz-psycholoog, de psychotherapeut, de klinisch psycholoog, de klinisch neuropsycholoog, de orthopedagoog-generalist en de kinder- en jeugdpsycholoog NIP.

Voor de gespecialiseerde GGZ werden acht disciplines genoemd als mogelijk hoofdbehandelaar: de psychiater, de klinisch psycholoog, de klinisch neuropsycholoog, de psychotherapeut, de specialist ouderengeneeskunde, de verslavingsarts, de klinisch geriater en (in bepaalde gevallen) de verpleegkundig specialist GGZ.

Op basis van dit advies heeft de Minister in juli 2013 een voorlopige regeling vastgesteld, die geldig is voor 2014 en 2015. Zie hieronder, onder Nieuwe regeling

II. Nieuwe regeling: onder constructie

III. Geschiedenis tot 2017

Commissie Meurs

De voormalige regeling voor het hoofdbehandelaarschap was bedoeld als een tijdelijke regeling. Om tot een definitieve regeling te komen, is eind 2014 de commissie Meurs ingesteld. Het rapport van deze commissie werd in mei 2015 gepubliceerd.

In haar rapport komt de commissie tot de conclusie dat eisen aan het hoofdbehandelaarschap niet de manier waren om grip te krijgen op kwaliteit en kostenontwikkeling in de GGZ. Zij stelde voor het begrip ‘hoofdbehandelaar’ te vervangen door ‘regiebehandelaar’. Daarnaast stelde de commissie de invoering van een ‘kwaliteitsstatuut’ voor als instrument om de kwaliteit  van de zorg beter te borgen.

De voorstellen van de commissie zijn overgenomen door de minister. Verder is  er een model-kwaliteitsstatuut ontwikkeld. Met ingang van 1 januari 2017 moet elke praktijkhouder een ingevuld en geregistreerd kwaliteitsstatuut hebben.

Hoofdbehandelaarschap: oneigenlijk instrument

In haar rapport kraakte de commissie harde noten over de voormalige regelingen rond het hoofdbehandelaarschap. De beperking van het hoofdbehandelaarschap in de gespecialiseerde GGZ tot psychiaters en klinisch psychologen was gebaseerd op de veronderstelling dat er zoiets bestaat als inhoudelijke eindverantwoordelijkheid over de gehele behandeling. Dit staat haaks op de ontwikkeling in de praktijk, de verwachtingen van cliënten en de jurisprudentie in het tuchtrecht over de verantwoordelijkheid van hoofd- en medebehandelaren.

Deze invulling van het hoofdbehandelaarschap heeft volgens de commissie in de afgelopen jaren ernstig afbreuk gedaan aan de kwaliteit van zorg. Instellingen werden gedwongen ‘oneigenlijke contactmomenten’ in te bouwen van patiënten met de psychiater of de klinisch psycholoog. Dit leidde tot een inefficiënte inzet van personeel en tot ondermijning van de vertrouwensband met patiënten.

Regiebehandelaarschap in plaats van hoofdbehandelaarschap

De belangrijkste taak van de hoofdbehandelaar was niet de inhoudelijke eindverantwoordelijkheid over de behandeling, maar de regie over het behandelproces en de communicatie met de cliënten. Om deze reden stelde de commissie voor het begrip ‘hoofdbehandelaar’ te vervangen door ‘regiebehandelaar’. Deze regiebehandelaar hoefde bovendien niet gedurende het hele behandelproces dezelfde te zijn.

Ook aan de regiebehandelaar moesten volgens de commissie eisen worden gesteld. De regiebehandelaar behoeft echter niet de inhoudelijk hoogst gekwalificeerde behandelaar te zijn in een team. Volgens de commissie komt elke professionele discipline in aanmerking om de functie van regiebehandelaar te vervullen, mits er sprake is van een academische opleiding of daarmee vergelijkbaar niveau, BIG-registratie, relevante werkervaring en deelname aan een vorm van intervisie of intercollegiale toetsing.

Kwaliteitsstatuut

Belangrijk is dat de regiefunctie is ingebed in een goede multidisciplinaire samenwerking. Het instrument om dit te borgen is volgens de commissie een kwaliteitsstatuut. Zaken die hierin geregeld moeten worden zijn:

  • de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de regiebehandelaar en de andere teamleden;
  • het mandaat van de regiebehandelaar om andere betrokken zorgverleners aan te sturen;
  • de criteria voor het op- en afschalen van een behandeling en het inroepen voor specifieke inhoudelijke deskundigheid;
  • de manier waarop de overdracht van het regiebehandelaarschap plaatsvindt;
  • de manier waarop het zorgproces geëvalueerd wordt.

Het kwaliteitsstatuut zou als voorwaarde moeten fungeren voor de toelating van zorgaanbieders en voor de vergoeding van zorg.

Documentatie advies commissie Meurs en reacties

Advies commissie Meurs

Reacties op advies commissie Meurs:

Verslag symposium NVGzP juni 2015 over advies commissie Meurs

Altijd op de hoogte zijn?

Word lid, volg ons op Twitter @nvgzp of abonneer je op onze Nieuwsbrief.

Dit bericht delen?

Klik op een van de buttons om dit bericht te delen met collega’s of andere geïnteresseerden.

2 reacties.


Reageren?

Klik op de button en plaats je reactie onder dit artikel.